'Ja hoor. Die bestaan wel.'
Oskar kijkt verbaasd om zich heen.
'Was jíj dat, Rico?' vraagt hij.
'Ik? Ik hééélemaal niets zeggen,' schreeuwt Rico.
Oskar richt zich geschrokken op.
'Je hoeft niet bang te zijn,' zegt dezelfde stem. 'Ik ben het maar.'
Oskar kijkt nog eens in het rond.
'Nee maar. De bal!' zegt hij ongelovig. 'Maar kunt u dan praten?'
'Maar natuurlijk kan ik praten,' lacht de bal. 'Ik ben geen gewone bal, waar je maar wat tegenaan trapt. Nee hoor. Ik ben een toverbal. En ik kan vliegen.'




'Ik heb een plannetje,' zegt de bal nu. 'Ik weet dat er een groot wit land bestaat aan de Zuidpool en daar groeien vast de ijsjes aan de bomen. Komen jullie dus maar op me zitten. Dan vliegen we er meteen heen.'
'Hoera. We gaan vliegen,' roept Oskar uit. En hij danst een vreugderondje om de bal heen. Ook Rico kraait verheugd.
En daar gaan ze.
'Hou je goed vast,' roept de bal en weldra zweven ze in de richting van de wijde hemelboog.
Oskar kan zijn ogen nauwelijks geloven. Is het echt waar, dat hij over het grote groene bos vliegt, en daar onder zich al 't huisje van zijn opa en oma ziet.
'Dag opa, dag oma,' roept hij naar beneden. Maar opa en oma kunnen hem vanuit hun huisje niet horen. En voor hij het goed en wel weet, is hij er al overheen gevlogen.

Zo bereiken ze de zee, waar dolfijnen uit de woeste golven opspringen en er daarna weer spetterend in terug duiken. Ze lijken hun een eindje te volgen, maar dan ziet Oskar ze opeens niet meer. En het wordt nu ook een stuk kouder. Betekent dat dat ze al dichtbij het land zijn, waar de ijsjes aan de bomen groeien?











































































Reacties

Populaire posts van deze blog